Het oude was afgedaan, ze wilde er niet aan denken, en de toekomst was, nu als steeds, onzeker, ze kon slechts opnieuw het beste zich voornemen en het beste hopen.
Ze bracht haar zoontje aan het babbelen .—, om te toonen hoe aardig en schrander hij was en vertelde Ramondt van zijn snedige antwoorden en van zijn streken, en wist zelf dat ze was tegelijk volkomen argeloos en onbewust, haar wangen bloosden warm onder zijn zacht-verteederden, bijna vaderlijken, maar tegelijk zoo innig lief koozenden glimlach—, doch toen ze langs het crocusperk ging, waar ze zooeven edele gedachten en verheven voornemens als witte duiven haar hart had voelen binnenkomen, werd ze zich pijnlijk bewust van wat ze deed: met al haar macht een getrouwd man veroveren, bekoren, naar zich toe halen. En ze voelde zich bang en benauwd en klein in het besef van haar zwakke, arme, wankele natuur, het vage, vluchtige, veranderlijke van haar hart ׳—, en ze gaf er zich in een angstig voorgevoel rekenschap van, hoe al het andere van zooeven wellicht niets was geweest dan het vermomde verlangen van wat ze nu te verwezenlijken zocht.
Ze namen afscheid —, en ze vond niet den moed hem te laten gaan, zonder iets van een verbintenis tot stand te hebben gebracht —׳, ze kon hem niet, ze wilde hem niet op goed geluk van weer toevallig ontmoeten loslaten, ze kon het herboren gevoel van eenheid en contact, de hoop op steun niet prijsgeven, en ze liet, terwijl haar hart klopte van vrees, hem beloven, dat hij eens komen zou en dat ze hem dan wat van haar werk zou voorlezen.
Thuis vertelde ze Egbert van haar ontmoeting en duidde Ramondt aan als den dokter, die haar vroeger bij Mary wel behandeld had, ze dorst niet zwijgen, omdat de kleine jongen haar argeloos had kunnen verraden en daardoor een schijn van opzettelijke geheimhouding aan dat zwijgen geven —, maar ze sprak vreesachtig en nederig, met schuw-gekozen woorden, en keek naar zijn gezicht, dat echter geen belangstelling of deelneming van welken aard ook verried, maar strak en gesloten bleef onder een schaduw van hooghartig wantrouwen en misprijzen.
Doch 's avonds werkte ze bij het open raam met het kleine lampje voor zich —, het overige van de kamer lag in schemer, Egbert neuriede en floot op de veranda, zacht wuifden de toppen der hooge, donkere populieren —, een fluit in de verte scheen een vleienden en wónderlijkverteederden lokroep op haar af te zenden —, en ze hief het hoofd op en peinsde,
.135