van sappig groen zwollen de hyacinten, rose en paars schemerde door de spleten ׳—, het was alsof ze den geur al snoof.
Tot in de straten hing lentegeur, woei lentewind door het wemelena zijde-achtig groen, dat geestige, speelsche schaduwtjes op de steenen van straat en gevels tooverde —, hier en daar in den tuin zetten de seringen al knop —, en bij Annie's huis gekomen, zag Ina de vroege azalea's op het Zuiden in bloei, met bloemen als ijle, geelroode vlammen.
Otto was niet thuis, hij bezocht tezamen met een collega een zieke, maar hij zou niet lang meer wegblijven. Annie vertelde het haar vluchtig, ze zat met de vrouw van den anderen dokter —, Ina had den naam niet verstaan —, in de tuinkamer en ze vatten dadelijk na de begroeting hun gesprek weer op. Ina begreep al gauw uit wat ze verstond, dat de vriendin naar een opera had willen gaan en daarin verhinderd was. Ze voelde zich na de zachte opwinding van zooeven, plotseling slap en als van de wereld vervreemd —, ze keek de rad-klappende vrouw in het gezicht, zag het enge voorhoofd, de koele oogen, de vouwen om den mond, de lippen zonder kleur of weelderigheid van vorm, het fletse rood op de schrale wangen en een zachte huivering van onverklaarbaren afkeer kwam in haar op, als was die vrouw tegenover haar haar geboren vijandin. Toch was ze niet leelijk, eerder knap en niet oud, ondanks het haar dat begon tè grijzen, goed gebouwd en zorgvuldig gekleed. Doch het was die blik zonder overgave en die mond zonder mildheid, de vadzige handen in haar schoot, waardoor Ina zich afgestooten voelde,
״Had je het haar niet kunnen vragen, om dien avond af te staan?" vroeg Annie, met haar glimlachje zonder belangstelling.
״Vragen? Een dienst vragen aan een ondergeschikte? Neen, maar ze had het uit zichzelf moeten aanbieden. Ze zag heel goed, dat de kaart gebracht werd — ik sprak er trouwens opzettelijk over terwijl ze in de kamer was —, wat ik anders nooit doe, dat was dus duidelijk genoeg. Maar geen woord." En ze leuterde klagend voort over de ontevredenheid, de veeleischendheid, de gevoelloosheid van haar dienstboden, waarvan een ״de aardigheid had uitgehaald" om typhus te krijgen, nadat ze vier weken bij haar was, wat een handvol geld aan verpleging had gekost.
Annie troostte haar lachend met een vief verhaal van haar eigen rampspoeden. Zij had een meisje, dat er een vrijer op na hield.
.128