kieslijk boven laffe ondoordachte vereering. Zoo trachtte ze altijd opnieuw de klachten van haar hart te stillen —׳, en tegenover Egbert hield, nu als tevoren, met het zelfverwijt om haar heftigheden, boven alles hoofdzakelijk de twijfel aan haar eigen kracht en kunnen haar klein. Vaak hield ze zich voor, dat ze toch moest kunnen zwijgen en gelaten zijn, dat al haar meeningen en wenschen en verlangens en grieven niet waard waren om er zijn vrede over te verstoren, en bij elk nieuw voornemen leek de vervulling zoo licht, maar het gelukte niet.
Dezen dag echter voelde ze zich sterk en stil moedig —, de zonneglans lag zoo overdadig mild op de vijvers in het park —, er dreef zoo'n stille zoete zoelheid in de lucht en alle boomen stonden op botten. Uit de zachte bast van de heesters waren overal de versche loovers te voorschijn gekropen, teer behaard als kinderhuidjes, geurig als bessen-blaadjes —, waar de zon het zand had warmgestoofd, koesterde zich een heele bende bolle dik-beveerde musschen. En haar kind ging naast haar en neuriede en keek verrukt in de wuivende pluimen der bloemen boven zijn blank gezichtje .—, een stroom van warmte en innigste teederheid leek door zijn handje, dat in de hare lag, haar lichaam binnen te stroomen —, het kind lachte om de kijvende vogels, die met driftige pooten het zand verwoelden en zich draaiden als dolle tollen —, ze bleef staan en bukte zich tot haar mond bij zijn zachte warme halsje was en ze wees hem den driftigsten vogel en lachte, met warme tranen achter de oogleden gereed, en drukte hem plotseling heftig tegen zich aan —, en ze voelde hoe haar heele wezen reikte naar geluk, vrede, harmonie en dat ze vervuld was van het verlangen, dat ook gelatenheid is, en waarvoor geen naam bestaat. Het scheen, terwijl ze verder ging en om zich keek, als vlogen uit het zonlicht en de zoele lucht de edelste voornemens, de meest verheven wenschen op haar aan, als witte duiven —, en klopten aan haar hart en kwamen er binnen —, ze werd als een eindelooze verwijding van zich zelf gewaar, als ontvoer ze aan zichzelf en gaf zich in een ijl en zoetvloeiend vertrouwen aan het omringende over, en nam dat tegelijkertijd weer in zichzelve op —, zoodat ze er één mee werd.
Elke geur, die tot haar kwam, ontbond stroomen van ontroering en van een gevoel dat heimwee scheen, en haar hart gaf, ontstuimig-sidderend, weerklank op den overzoeten! vogeltoon.
De crocusjes bloeiden al, binnen den stijven gesloten koker
.127