het welbekende aapje van mevrouws ijdelheid. En het povere slot van dé heele verheven peroratie is een vriendelijk verzoek om een beetje wierook. Ik kan niet zeggen dat ik je geluk wensch met je speech —, en mijn motie van vertrouwen in je verdere filosofische of metafysische capriolen moet ik je daarom voorloopig nog blijven onthouden."
Ina sprong op uit haar stoel en rende op hem toe —, als wilde ze hem te lijf —, hij week achteruit en greep haar bij de polsen en slingerde haar van zich af.
„Het vischwijf is weer losgebroken —, we zijn weer waar we wezen moeten. Maar als jij nu zoo dol op algemeenheden bent —, hou je dan deze algemeenheid voor gezegd, dat dit onherroepelijk de laatste keer is, dat ik me in een dergelijk gesprek begeef. Zoodra je in het vervolg dien kant uitgaat —, dan coupeer ik het, altijd en onmiddellijk. Je krijgt er mij niet meer toe —, en je kunt je dus verder elke moeite besparen,"
Ze kwam met den jongen aan de hand de deur uit in het zonnige, luwe voorjaarsweer en ze gaf hem, eenmaal in de straat, de bos wuivende witte seringen, die hij zelf wilde dragen om ze aan Otto te gaan brengen, die hem had „beter gemaakt".
Voor een paar weken was hij met zijn hoogen stoel omgetuimeld, op den scherpen rand van een stuk speelgoed terechtgekomen en met een bloedende wond aan zijn hoofdje krijtend op den grond blijven liggen. De schrik had Ina nog dagen lang in het hoofd gedreund, in de beenen gebeefd ■—, maar wat een geluk, dat Egbert er was geweest, met zijn kalmte, zijn onverstoorbare koelbloedigheid. Hij had het ventje al opgenomen, zoo goed hij kon het bloeden stelpend, terwijl zij nog doodsbleek, als stram van schrik tegen den muur stond —, en wilde al met hem de deur uit naar een dokter toe, toen juist Otto kwam en de zorg overnam. Otto was onverwacht komen eten, zooals hij wel een enkele maal meer deed, als Annie uit was met vrienden. Ze had er vele, en telkens andere, en wist zich met glimlachjes en beminnelijke kleine diensten overal aangenaam te maken, waar ze winst en voordeel zag voor Otto's praktijk. Ze hadden geen kinderen —׳, eens toen Ina een toespeling waagde, had Otto haar verteld, dat Annie geen kind wilde, geen kind durfde krijgen, omdat ze vast vreesde, dat ze ervan sterven zou—,
.125