״Maar nu de uitgevers-kwestie. Heb je nog iets bewaard van die knipsels uit de kranten van je eerste dingen? Ei waren er heel waardeerende bij. Dat kan je nu te pas komen."
״Neen," zei Ina verslagen, ״als ik het maar geweten had, had ik ze wel bij elkaar gehouden. Nu weet ik werkelijk niet, waar ze gevlogen zijn. }e kunt toch ook niet alles bewaren."
״Er zijn er genoeg, die wel alles bewaren," lachte hij, ״maar voorbij is voorbij. Enfin, een uitgever is altijd wel te vinden, al is hij dan niet ״jong en enthousiast."
״Ik zal dien jongen een briefje schrijven," zei Ina toch wat bedrukt, ״het is niet prettig, maar hij moet toch begrijpen, dat ik óók voor mijzelf te zorgen heb. Dat zal hij toch wel begrijpen, nietwaar ?"
„Daar zou ik me maar geen harnas om aantrekken," lachte Egbert, „en geen briefje. Eenvoudig vergeten, 't Is toch geen kwestie van vandaag of morgen ? Of wel ? Hoe schiet je op ?"
„O, goed, over het algemeen. Soms werk ik uren achtereen en dan, dan wil het ineens weer niet. Het valt me nogal moeilijk, zie je. . . ."
„Den schrijf nog niet goed beet ?" vroeg hij luchtig en vaag.
Ina aarzelde met haar antwoord. Ze voelde het gevaar, als ze hem erover spreken ging, het lag alles zoo buiten de sfeer, waarbinnen hij waardeeren kon —׳, maar tegelijk ook verlangde ze juist nu zoo heftig naar wat vertrouwelijkheid, naar aanmoedigende, warme woorden. Haar hart klopte zacht en bang. Ze herinnerde zich nog zoo goed haar gesprekken met Paul —, hoe het uitzeggen van wat ze in haar werk uitdrukken wilde, alles vooral voor haarzelf duidelijker scheen te maken —׳, ze wist in haar spontaan spreken onder den bezielenden invloed van het belangstellend en vleiend luisteren, vaak sterker en zuiverder dan schrijvend de dingen te zeggen —, Paul had wel eens lachend beweerd, dat haar gesprekken met hem het meest leken op redetwisten met zichzelf en meer dan eens had zulk een gesprek een avond van vlot en klaar werken opgeleverd. Zoo iets moest ze toch ook met Egbert kunnen beleven.
„Zie je," ging ze verder, hoewel hij niets naders had gevraagd, maar onbestemd voor zich uitkeek, als voelde hij zich bedreigd en berouwde het hem reeds dat hij nu zelf door vragen een „zwaarwichtig" gesprek uitgelokt had, „zie je, Egbert ׳—, ik wilde zoo graag van mijn boek iets meer maken dan een verhaal zonder meer —, ik wil de gevoelens, de gemoedsbewegingen van de personen niet alleen beschrijven —, maar trachten ze te doen zien in hun onderling ver-120