gevraagd. Wanneer jij je als een klein kind gedraagt —, om het maar niet erger te noemen —, dan moet je ook maar als een klein kind behandeld worden. En daarmee is geloof ik de zaak voldoende toegelicht."
Ina sidderde in haar heele lijf en zweeg. Haar hoofd scheen op barsten te staan —׳, rood vlamde de moorddadige drift voor haar oogen, haar vingers kromden als klauwen. Ze had het gevoel, dat ze hem geworgd zou hebben —als ze niet was opgestaan en weggegaan.
Ze stond met den kleinen jongen op het balkon en ze keken samen naar Egbert uit. Het liep al weer naar den winter —, de lantaarns blonken bleek in de koude, damp-blauwe schemering —, beneden in de straat liepen de mannen, die naar huis kwamen van hun werk in de binnenstad .—, ze herkende enkelen aan hun gestalte of gang en keek ze peinzend, half-on willekeurig na tot ze in de huizen naast en tegenover haar verdwenen. Nu en dan kwam er een heel groepje tegelijk den stiaathoek om en verspreidde zich daar —, dan wist Ina, dat er op het pleintje verderop een tram was aangekomen. De kleine jongen hield haar aan de rok en trappelde van ongeduld !—׳, als weer zijn vader niet onder de nieuwgekomenen was. Hij droeg vandaag voor het eerst eens jongenspak —, het was tot heden toe een geheim tus-schen zijn moeder en hem —, nu zouden ze vader er mee verrassen.
Vader had al weken lang bij zijn thuiskomen schertsend gegromd: „ik wil die meid in rokken niet langer zien" en nu was hij een werkelijke jongen geworden. Ina had Egbert vooraf langs omwegen uitgevraagd over wat hij in kleur en stof voor hun jongen het mooist vond —, ze vertrouwde op zijn smaak en wilde dat het hem bevallen zou. En nu wachtten ze tezamen naar zijn komen. Achter hen lag de kamer warm en nog donker, — de meubelen stonden daar zoo natuurlijk en harmonisch tegen hoek en wand —־, als was een andere manier van meubelen en schikken en behangen en versieren niet mogelijk —׳, als ze over den balkonrand geleund de ramen aan de overzijde binnenkeek —, vervulde het haar met een soort pijnlijke verbazing, dat al die onverschillige, ongezellige woningen precies gelijk aan haar eigen waren. Als Egbert thuiskwam —׳, zou ze de lamp aansteken en ze zouden gaan eten met den kleinen kerel tusschen hen
115