niet op een woord antwoord meer te rekenen —, dit heb ik je te zeggen: dat gedonder met dien jongen moet uit zijn. Ik verkies het niet langer. Ik wil graag gelooven, dat het in alle eer en deugd toegaat —, God, je hoeft niet op te stuiven, ik meen het net als ik het zeg, je hebt eenvoudig geen temperament voor wat anders —, alles draait bij jou alleen maar om je vooze ijdelheid —, maar ik bedank ervoor om in mijn eigen huis verwaarloosd te worden. Ik heb je gezegd, dat ik je je gang zou laten gaan, zoolang als ik er niets van merk —, maar nu is het uit —, dat kun je je voor gezegd houden."
„En als ik mij dat nu eens niet voor gezegd hou?"
„Wat bedoel je?"
„Wel, ik kan toch ook zonder je hooggewaardeerde toestemming mijn eigen gang gaan."
„Zou je denken? Dan zal ik je nog eens wat zeggen. Als jij morgen dien jongen niet hebt geschreven en aan de heele geschiedenis radikaal een eind gemaakt —, dan schrijf ik hem overmorgen. Duidelijk nietwaar?"
„Bijzonder duidelijk," haar stem was klankloos, haar lippen trilden in witgloeiende drift, „en wat ben je dan van plan te schrijven?"
„Dat kan je veilig aan mij overlaten. Ik vraag jou ook niet naar je brieven."
„Zou het in elk geval niet beter zijn, als ik hem van een dergelijke beslissing mondeling op de hoogte stel? Want tot een brief van jou laat ik het in elk geval niet komen. En dat weet je —, en daarmee heb je mij in je macht—, en daar maak je misbruik van."
„Goed, goed," zei hij met een wrevelig-verachtelijk gebaar, „misbruik, machts-misbruik, hoe zei je? alles tot je dienst, je groote woorden en je gekakel laten me koud —, dat kan je weten en het verbaast mij, dat zoo'n scherpe geest zich alles zoo vaak moet laten zeggen."
Ina haalde zwaar adem, maar bedwong zich. Al haar wil was samengetrokken op het verlangen, het schrijven van dien brief te ontgaan —׳, en niet te schreien, wat hem zoo sterk maakte en haar zoo week.
„Ik zeg niet anders, dan dat ik het beter vind het hem zelf te vertellen, als je het absoluut onverdraaglijk vind, dat ik langer. . ."
„Ik zie er de noodzakelijkheid niet van in."
„Maar ik!" — barstte ze fel uit.
„Naar jouw meening wordt op het oogenblik niet meer 114