houding weg te houden —, uit hun gesprekken te weren —, eep verlangen dat zij-zelf niet geheel en niet altijd begreep, was haar geest na elk samenzijn vemoeid van te groote inspanning, te sterke bewustheid, van altijd door geestig en vernuftig en teeder te hebben willen zijn, van altijd door te hebben willen schitteren en bekoren. Tezamen zwijgen hadden ze nog niet geleerd.
Met Egbert leefde ze onbewust, zonder inspanning of opwinding, met hem deelde ze de tallooze zorgjes voor gezin en kind —, en die voortdurende wisselstroom van gevoel en overleg — beuzelig en gering op het oog —, had een sterken band tusschen hen geweven, die haast onverbrekelijk scheen. Paul dacht dat ze uitsluitend bij Egbert bleef om hun kind —, en zij liet hem dien waan, die immers weer zijn eigenliefde op schuldelooze wijze streelde en haar in zijn oog grooter waarde gaf —, doch de waarheid was dat haar hart voor Egbert stemde, altijd en blindelings.
Het was over zeven uur, toen ze met benauwd bonzend hart hijgend haar huis bereikte. Er werd niet dadelijk op haar bellen gehoor gegeven —, en opeens bedacht ze, dat Egbert wel kon zijn uitgegaan —, dit leek haar erger dan alles en ze wist, dat zij-zelf het dan ook in huis niet zou kunnen harden. Ze belde nog eens en de deur werd opengetrokken —gretig door het smalle, halfverlichte trapgat omhoog kijkend zag ze dat Egbert zelf had opengedaan —, maar dadelijk zonder woord of groet naar binnen was verdwenen. Toen ze even later duizelig van het stormend trap-penklimmen de kamer inkwam, zat hij daar met zijn boek onder de lamp, als was hij niet van zijn stoel op geweest en als was er niemand binnengekomen. Trillend van opkomende drift bleef ze staan, toen keek hij op, haalde met een hoonlachje zijn horloge uit, keek er veelbeduidend op en stak het daarna bedaard weer bij zich. Dit gezicht deed haar elk zelfbedwang verliezen, alle berouw was uit haar weggezweept, ze werd wit en viel hikkend uit, dat ze zoo niet wilde .ontvangen worden, dat ze even precies als hij wist hoe laat het was, dat ze zich had verlaat —, iets wat iedereen kon overkomen —׳, dat ze ten slotte haar eigen baas was —״, tot haar stem alle klank verloor, haar borst gierend hijgde naar adem en ze afgemat neerviel in een stoel.
״Mensch, bedaar," smaalde Egbert, ״stel je niet aan. Je weet toch al lang, dat ik mij niet door jouw zenuwbuien laat intimideeren. En ik heb je maar één ding te zeggen —, dan kan je daarna razen zooveel als je wilt, al behoef je dan
8. C. V.
113