en schiftte het nu. Maar daar tastten haar vingers naar het briefje in haar blouse en ze werd weer rustig. Ze schaamde zich —, ze wilde immers zoo gaarne wezen, zooals Pauls verheerlijking haar zag, lieflijk en verstandig en edelmoedig, niet wrokkend en inwendig driftig als elke domme boosaardige vrouw ׳—, en wat recht had ze ook om zich aan Egberts woorden en zijn toon te ergeren, zij, zijn eigen vrouw, die met het briefje van een anderen man heimelijk aan haar borst geborgen naast hem ging? En het gevoel, dat ze iets aan hem goed te maken had, kreeg opnieuw de overhand.
״Ik heb al gezegd, dat we niet thuis komen eten — omdat jij niet graag aan tijd gebonden bent. We vinden dan onderweg wel wat."
Ze zei het opzettelijk koeler dan ze nu voelde ׳—, hij moest niet weer van ״zoete broodjes" vermoeden.
״Dan weet ik een tocht van een uur of vier, vijf, een prachtige wandeling ׳—, als het jou tenminste niet vermoeit. Anders kunnen wij er wel een stuk afsnijden."
״Neen, ik kan best," zei Ina. De vorige week was ze nog tot één enkel uur loopen niet in staat geweest —׳, nu voelde ze zich weer als in hun eersten tijd, onuitputtelijk krachtig, grenzeloos onvermoeid, met een onbesuisd verlangen naar inspanning, geestelijk en lichamelijk, als om de volheid van haar eigen kracht en kunnen in alle richtingen en tot het uiterste te voelen.
״Dan ben je vooruitgegaan," zei Egbert opgewekt, ״dat valt me bijzonder mee."
Ze antwoordde niet —, ze gingen weer gearmd. ״Om een ander is het," verweet ze zich in gedachten — en schaamde zich; ״maar Egbert profiteert er toch van," bestreed ze haar eerste overweging, en ze wist niet, hoe ze zich tegenover hem voelen moest. Zooeven, in de versche vreugde van hun samenzijn, had ze Paul vergeten —■, maar bij Paul vergat ze Egbert niet —, integendeel, de wroeging om hem en de schuld, die ze op zich laadde, had haar van elk samenzijn het smaken der volle vreugde belet. Dat beteekende dan toch, dat Ze het meest om Egbert gaf! En zoo moest het —, en zoo moest Paul het leeren inzien —, zoo zou zij het hem zeggen, later, als hij eerst nog de voor hem immers onvermengde vreugde van haar bijzijn had genoten —, en als het noodig bleek.
Ze kwamen thuis en terwijl Egbert beneden in de keuken een oogenblikje toefde bij den boer en zijn vrouw, ging Ina naar boven om naar het kind te kijken. Ze reikte daarna 104