zwarte wolk op haar hart, als werd alles in haar mat en
machteloos? Ze wilde nu toch over Paul spreken.
״Zeg, Egbert, ik heb hier iemand ontmoet, die óók wel eens schildert."
״Zoo ׳—; een meisje ?"
„Neen, een man." „Zóó."
Hij zweeg. En Ina vroeg zich angstig af; had er in dat koele „zoo" niet al een begin van ontstemming, wantrouwen, wrevel geklonken? Lag er nu al, voor zijn gevoel, een schaduw over zijn komen, was zijn vreugde al verstoord? Z i vreesde het vaag, en voelde zich weinig op haar gemak, maar dorst het zwijgen, dat meer dan woorden kon betee-kenen, niet langer te doen voortduren.
„Misschien ken je hem wel, Egbert —, misschien heeft hij wel eens geëxposeerd, ik weet dat natuurlijk niet precies."
Ze wist wel van niet ׳—, maar ze zei het opzettelijk, om Egbert niet te krenken door de gedachte aan te veel intimiteit tusschen haar en een vreemde.
„Hoe heet hij 1"
„Paul van Oord."
„Ken ik niet."
Ze zwegen —, ditmaal dorst Ina niet verder gaan.
„Egbert, de kippen hebben gister gelegd ׳—, en ik heb de versche eitjes voor jou bewaard —׳, hoe vind je dat?"
„Edelaardig" zei hij, wat droog.
Maar nu begon in Ina een lichte wrevel te ontwaken, ze voelde zich gekrenkt door den toon van zijn laatste antwoord. Als een schoolmeester, die wel merkt dat het kind zoete broodjes bakt, maar het even wil laten voelen, dat het zóó gemakkelijk maar niet gaat! Ze was geen klein kind meer en bakte heelemaal geen zoete broodjes ■—, wat verbeeldde hij zich wel!
Hij zweeg weer en naarmate dat zwijgen voortduurde, zwol de wrevel in haar hart, ze voelde dat ze onrustig werd en dat het bloed haar overal tegen de huid aan gloeiend prikkelde. Eindelijk werd het haar te machtig. Met een ruk trok ze haar arm uit den zijne weg —, de aanraking was ondragelijk geworden.
„Wat heb je?" vroeg hij verbaasd.
„Zoo warm."
Ze ademde zwaar in het verder gaan, haar neus trilde. Weg was haar vreugde, verwachting, gelatenheid ׳—, verjaagd de blanke rust die binnen in haar toefde —, overal gistte
103