״Waarom denkt u dat ?"
„Wel, omdat.... Zouden we niet even oploopen ? Het kan niet goed voor uw baby zijn, zoo stil te staan in den wind,"
Haar hart versmolt van dankbaarheid voor zijn zorg, ze gingen verder, hij naast het wagentje.
„Ik vraag het u maar," vleide de stem, „omdat u mij zoo koel groette, daareven, en daarmee bracht ik in verband dat u dien avond ineens zoo stroef en bijna vijandig werd tegen mij. Met die bedoeling kwam u toch niet bij ons binnen, is het wel? Het moet dus aan mij gelegen hebben."
Weer had ze, terwijl hij sprak, het gevoel, als was zijn nederigheid deels schijn en nam zijn stem alleen dien overweldigend-zoeten klank maar aan, om haar te vleien en te verlokken —, doch ze wilde immers maar al te gaarne gevleid zijn en verlokt —, hoe zoet bonsde haar het hart, en een zalig zacht zengen trok door haar bloed. Haar stem hoorde ze ook week en gedempt en een blos overtoog haar wangen.
„Ja, het lag ook aan u. Aan de manier, waarop u glimlachte toen u begreep dat ik om u was gekomen —, dat is te zeggen, dat ik was gekomen omdat ik hoorde dat er bezoek was."
„Het vleide mij. En u was zoo grappig, toen u jokte „ik wist niet dat er bezoek was". Het was tegelijk zoo duidelijk dat u jokte en het ging u zoo slecht af. Dat was de bekoring. En daarom lachte ik. Dat mocht toch wel even?"
„Dus niet, omdat u mij verachtte ?" —•, haar stem klonk bijna onhoorbaar, zooals haar de overzoete klank der zijne omstrikte.
„Omdat ik u verachtte! Waarom zou ik ?"
Ze antwoordde niet, ze stond stil naast het wagentje en lei het kind, dat zittend in slaap gfevallen was, op zijn kussen neer —, ze deed het vlug, zakelijk en ze was hem dankbaar dat hij niets zei, want ze wilde nu niet „moedertje-spelen" voor hem en ook niet dat hij het vermoeden zou. Toen greep ze de kruk, wat rood van het bukken, en reed verder.
„De meeste menschen verachten iemand, die maar het geringste blijk van ingenomenheid met ze geeft," zei ze hard, en voelde zelf dat die hardheid tot bedoeling had, zijn belangstelling te prikkelen.
„Hebt u die ervaring opgedaan?"
„Ja." Ze zweeg. „Hij wil mij laten „uitpraten" en klagen," zei ze zichzelf, „maar ik wil niet uitpraten en klagen, hoe ik er ook naar verlang."
95