Zou ze hem wel ontmoeten, zou hij niet de smalle zij-laan inslaan, voordat hij haar had gezien ? Ze duwde het wagentje sneller voort, om die vóór hem te bereiken en hem den pas af te snijden, en schaamde zich in het oogenblik zelf, voor wat ze deed. O, als hij iets van voorkeur of ingenomenheid in haar bemerkte, zou hij haar immers belachen en verachten, zooals de anderen, zooals Egbert —, ze was getrouwd en hij wist het, ze mocht niet eens aan hem denken. Haar hart stormde •—, nu was hij vlak bij —, nu nam hij zijn hoed af, correct en strak en ging langs haar heen verder, zonder een blik op haar, zonder een blik op het kind. Ze bemerkte nu pas, hoe stellig ze erop had gerekend, dat hij haar aanspreken zou, ze werd gloeiend rood van schaamte ׳—, zij was vervuld van hem en hij dacht zelfs niet aan haar —, het was zoo krenkend en alles wat ze omtrent haar houding vastgesteld en bedacht had, ineens zoo belachelijk van overbodigheid. Ze kampte met haar tranen •—, de wind voer zwaar door de natte takken, maar het machtige ruischen, dat haar anders onmiddellijk beetgreep en meesleepte, ging ongehoord langs haar heen —, haar gespannen denken, haar strakke verwachting stond naar hem gericht, als was hij plotseling de eenige spil van haar bestaan, de hoeksteen van haar wezen, als moest van hem alle geluk komen en alle leed en alle nooden. Was ze ״verliefd" ? Maar ze kende hem niet. Er was geen verantwoording voor —, het het was niets dan beschamend, verwarrend, ellendig, belachelijk.
Ze was aan het eind van de laan gekomen en wendde het wagentje om, ze had het eerder niet gedurfd —׳, ze kon rfu uitzien hoe snel hij was doorgeloopen, of hij al ver-, dwenen was in de richting van het huis of de zijlaan in —, maar het bloed stroomde haar in een heete golf naar het hart —, op geen tien passen afstand stond hij tegen een boom geleund te wachten. Zou hij op haar wachten en zou hij nu naar haar toe komen? Voor ze het zich recht had afgevraagd, stond hij naast het wagentje en ze begroetten elkaar en ze hoorde zijn stem als uit verten, zoo verbijsterd als ze was.
„Mag ik u eens wat vragen ? tl moet het niet onbescheiden vinden. Maar dien avond bij de oudjes daar, heb ik toen misschien iets gezegd of iets gedaan dat u onaangenaam was?"
Zijn stem klonk zoo nederig en week, dat ze ineens ernaar haakte, hem lieve, teedere en verteederende woorden tot belooning te zeggen —, maar ze bedwong zich.
94