99
Hij kon maar niet zwijgen over het bittere, wrang-belachelijke van 's middags door den vader deftig als uit hoogten van deugd en fierheid te zijn berispt om de angstige schaamte datgene te openbaren, waarvoor hem 's morgens de zoon gehoond en ver-stooten had —, en hij had ook aan dat vroegere voorval weer moeten terugdenken, toen hij in de tweede klas zat en Bob van Putten eerst bewondering had getoond bij het verhaal van den leeraar —, en daarna laf weggeloopen, uit vrees van bij een man met ballonnetjes en bij den neef van dien man te worden gezien —; nooit daarna had Bob hem weer iets gevraagd of meer dan hoog-noodzakelijk met hem gesproken, Als ze dan zoo waren —, als dan hun heele leven erom draaide en hun gedachten ervan vervuld waren, van hun trots op geld en stand —, waarom kwamen ze er dan niet eerlijk voor uit? Waarom veinsden ze deugden te bezitten, in anderen te bewonderen, fierheid, trots —, terwijl het allemaal vooze leugen was en valsch bedrog? Dat was het bittere, dat ze van anderen dingen eischten, die ze zelf niet vervulden —, en waarvoor ze zelfs de anderen niet eerden, maar zwaar lieten boeten,
„Dat ze altijd liegen”, klaagde Ben — „leeslessen liegen, hun verhalen liegen, ze eeren geen helden, ze eeren geen „brave armoe”, ze hebben geen bewondering voor iemand, die zichzelf opwerkt —, ze doen maar alsof, in de boeken, of misschien alleen van menschen die al lang dood zijn, of die niemand kent —,