98
Ben’s oogen waren gezwollen van het schreien, zijn gezicht bleek en weggetrokken, zijn mond bitter verwrongen —, hij was uitgeput van den ganschen dag vol ellende en verwarring en strijd, In blinde opgewondenheid thuis gekomen na zijn bezoek, had hij daar alles verteld en wel gevoeld dat moeder en vader en oom Jozef althans hem begrepen — het nijdig pruttelen van Bekkie deerde hem niet —, maar dat hun teleurstelling zwaarder woog dan hun billijkheid en hun ieder woord van troost en meegevoel in de keel als terugdrong, Radeloos gedrukt onder den onuitgesproken wrevel, die hem weliswaar geen schuld aanwreef, maar toch ook niet de teleurstelling geheel ongewroken kon laten —, was hij het huis ontloopen naar zijn ouden beschermer toe, bij voorbaat zeker dat daar althans de vertroosting, die hij zoo ruimschoots behoefde, hem niet onthouden zou worden.
Een duizelig-doffe verbijstering was in zijn hoofd, als had hij het tegen een harden muur gestooten, den harden muur van redelooze onrechtvaardigheid en leugenachtige deugdpralerij, Verlucht en als van een last ontheven zoodra hij alles uitgesproken had en de troost ontvangen, waarnaar hij dorstte —, bemerkte hij, nu de oude man naast hem peinzend zweeg, opnieuw het klimmen van de drift binnen in zich, en dat hij het nog niet van zich afzetten kon, dat hij er weer over spreken moest, al was het minder heftig en opgewonden dan tevoren.