97
nu wist hij niet meer of hij nog blijven of weggaan moest. Een flauwe hoop hield hem nog, wanhoop daartegenin kermde ellendig, dat het vurig gehoopte, zeker gewaande, nu toch nog verloren was,
De baron keek op,
,,Waar wacht je nog op? Denk je werkelijk dat ik aan iemand, die zich schaamt voor zijn geloof, die zijn naam nauwelijks durft zeggen, omdat hij Benjamin heet, naar den jongsten zoon van den aartsvader Jacob — jongen, je moest er trotsch op zijn! — mijn eigen kind zal toe vertrouwen? Karakter is óók wat, jongmensch! Fierheid, zelfrespect —, neem die kleine les nog van mij aan! En zeg meneer Becker —, of neen, ik kan hem beter zelf inlichten, De knecht hier zal je uitlaten,”
Zijn handwenk volgend, keek Ben achterom. De stille, gladgeschoren man, die hem had ingelaten, was alweer binnengekomen en leidde hem even zwijgend uit,
Nu was het weer avond — en Ben zat met meester Becker in de kleine veranda, moe en dof voor zich uitstarend in de verte, in de geurlooze avondkoelte van de herfst, Damp steeg op uit het land, de horizon ging er achter teloor, een vale vermoeienis lag over het tuintje, als had dien avond voor het eerst een angstig voorgevoel van den komenden winter, alles dat er nog bloeide bevangen,
7