96
„Niets, meneer/’ Ben schraapte zijn keel. „Godsdienst?”
Weer dat gevoel, als droogden zijn mond en keel uit, zijn lippen dor als zand, zijn strot omsnoerd —, en volkomen onmachtig tot antwoorden.
„Godsdienst, vraag ik. Wat bezielt je toch?”
Ben haalde diep adem.
„Israe....”, begon hij, vuurrood, met het stellig gevoel, dat hij na die bekentenis verloren was. De baron lei traag, als ging hem een licht op, het boekje neer en stond ineens achter zijn schrijftafel stil. Ben dorst niet opzien, maar de bom sprong heel anders dan hij had verwacht.
„Dat is wat moois —, dat is schitterend! Jij hebt
karakter, hoor kereltje jij schaamt je als ik het
wel heb, voor je geloof —, jij staat daar te draaien en je zou wel willen liegen, als je durfde. Dat heeft Becker mij vergeten te vertellen —, dat je van die krachten bent. Maar je bent de eenige niet onder je geloofsgenooten, die vol valsche schaamte zit —, en die dan nog verwachten dat een ander ze eeren zal. Ik heb eens ergens gelezen, dat de Joden zelf schuld hebben aan allen smaad, dien ze overkomt en ik begin te gelooven, dat het volkomen waar is, volkomen waar....” Hij had het alles en nog meer driftig achter elkaar uitgestooten. Eindelijk zweeg hij, en hoorde Ben niet langer de felle, valsche woorden, waaronder hij zich gefolteerd, woest opstandig voelde worden, waartegenover hij toch machteloos stond —,