95
wel allemaal terecht —, enfin, ik wou je eigenlijk alleen even zien —, en een en ander noteeren — namen kan ik niet onthouden —, ik moet toch weten hoe je heet, waar je woont....” hij zweeg en sloeg in een boekje een schoon blaadje op. Onder het kortaf, blaffende spreken van den ander, die hem nauwelijks aankeek, had Ben maar één gedachte gehad, één jubelend gevoel in zijn hart: ik heb het, ik heb ze, de dertig gulden in de maand — en binnen een half uur ben ik thuis en dan weten ze het daar —, en dan ben ik geen doodeter meer en dan spaar ik om den meester een Me ij er’s Lexicon te geven —, maar nu de baron plotseling die vraag deed, de eenvoudige vraag naar zijn naam, waarop hij toch verdacht had kunnen zijn, sloeg hem een gloeiende schrik door de leden, hij snakte benauwd naar adem en moest zich tong en lippen bevochtigen, voordat hij antwoorden kon,
„Vischkooper,”
„Vischkooper?” herhaalde de baron met een uitdrukking op zijn gezicht alsof hij iets vreemds proefde, „eigenaardige naam, een of twee oo*s? Twee? Goed —, en je voornaam?”
„Ben”
„Ben —, Bernard? Benedictus? — Ben is geen
naam,”
„Benjamin”, zei Ben, zoo heesch-verlegen, dat de baron opkeek,
„Wat is er?”