94
boven, wiesch en kleedde zich zorgvuldig en begaf zich op weg.
Het bonzen van zijn hart moest hij met geweld door stilstaan en regelmatig ademen bedwingen, zijn klamme handen afwisschen aan zijn zakdoek — nutteloos, wist hij, want niemand zou hem de hand geven — voor hij den tuin binnentrad, die roerloos prijkte in zware kleuren, roestrood, goudbrons, dieppaars onder de windstille herfstlucht, rondom glooiende opgaand naar het trotsche huis. Een fraai gelakt rijtuig met twee paarden stond voor de hoofddeur te wachten, achter in den tuin zag Ben broeibakken en een oranjerie —, en weer had hij dien duizel van ontzag, in zijn hardnekkig dom gevoel de menschen als steeds met hun bezit vereenzelvigend. Een knecht leidde hem binnen, een kamer voorbij, waar hij tusschen damesstemmen door Berthold hoorde spreken en lachen, beschaafd, afgemeten, als een volleerd, gedresseerd salonheer —, en achter in de gang een hoog en donker studeervertrek binnen. De baron zat daar, achter zijn tafel, hij was baardeloos, volbloedig, gezet, met korte bewegingen, en een wat blaffende stem. Hij wees Ben een stoel aan en begon daarna zelf onmiddellijk op en neer te loopen,
„Ons onderhoud kan kort zijn. Je bent me aanbevolen door mijnheer Becker —, hij is een vertrouwd man —, op hem verlaat ik me —, en mijn voorwaarden ken je —, de jongen is lastig —, wat heftig, een beetje plaagziek — speelsch, speelsch — komt later