92
weifelde ook, of het wel mocht, ze vlasten zoo fel op het geld, hij teerde en at maar mee van hun werk, ze offerden zich allemaal min of meer aan zijn toekomst, en nu —, om een persoonlijke gevoeligheid... Neen, niet om een persoonlijke gevoeligheid, Het was ook en evengoed om hun eer. Was het werkelijk? Hij wist het niet —, soms had hij innerlijk de sombere overtuiging, dat geen liefde, geen gevoel van verwantschap hem aan de Joden in zijn omgeving bond —, maar dat hij alleen uit trots een noodlot niet loochenen wilde, dat hem nu eenmaal was beschoren —, zich voorhoudend dat hij niet minder was, niet minder geacht wilde worden om zijn afkomst. Maar kwam dit hier te pas? Zijn gedachten verwarden zich —, dit alleen stond vast, dat hij meester Becker en zijn vrouw de volle waarheid zou moeten zeggen, En wat moest hij antwoorden, als de meester hem zou vragen, of hij zich waardig gedragen had, zijn fierheid ongerept bewaard? Ook dat wist hij niet —, hij had geschreid, hij had het niet helpen gekund, maar het vragen-zelf, was dat een vernedering geweest? Neen, want alle jongens moesten vragen.
Een opmerking van den leeraar ontrukte hem aan zijn gedachten. Toen hij er later, bij het uitgaan der school, in zichzelf op terugkwam, drong de volle scherpte van het gebeurde weer op hem in —, en vol van angst, verwarring, twijfel aan zichzelf en aan zijn plicht ging hij naar huis,
Daar vond hij het gezin in half-gelaten neerslachtig