90
kenmerkte juist en ongedacht het lidmaatschap te scherper en te duidelijker als een onderscheiding. Hij voelde het en dat geeneen zich voor hem opofferen zou, Van Herwerden voelde het ook, hij sloeg weer zijn hooghartig-mispr ij zenden toon aan:
„Het is bijzonder onaangenaam —* we zijn nog geen keer bijeen geweest en nu al last van indringers/’ „Indringers” —, het gehate woord, dat hij niet verdiende, omdat hij jaren lang alles had vermeden, wat ook maar het lichtst vermoeden ervan op hem werpen kon —, voor hij het beletten kon, was hem een diepe snik ontgaan en tranen stroomden over zijn wangen. Van Herwerden lachte wreed,
„De heele omvang van het reglement sluit je uit. Een Jood ben je —, een vróuw ben je omdat je grient en een proleet ben je ook omdat je je opdringt en je niet beheerschen kunt.”
Het lachen overstemde een enkel woord van afkeuring, dat heel bescheiden opklonk hier en daar —, ze trokken van hem weg, den geestigen aanvoerder vierend en in al zijn haat en ellende voelde Ben, dat die jongen zijn meerdere was, en dat hij hem moest blijven bewonderen.
Een jongen uit zijn eigen klas, klein, met een blank en rood lief meisjesgezicht, keek in 't heengaan om, aarzelde, liet de hoofdmacht los en kwam snel, half-beschaamd, naar hem toe, Ben voelde zich op den schouder tikken, verwezen keek hij op,
„Ik had je wel willen bijstaan”, zei het ventje,