88
loteerd —, de club was op dezelfde voet ingericht als die waarin mijn broer nu is, en hun devies kan ik je ook wel even zeggen: geen proleten, geen vrouwen, en geen Joden/’
Bij dit laatste klonk zijn stem niet effen meer, hard en wreed, met flitsende oogen, als waren het messteken, stootte hij de woorden uit, blijkbaar diep be-leedigd door Ben's aanmatigend vêrzoek, Ben trilde over zijn heele lichaam, hij wist niet, wat hij antwoorden moest, het schemerde voor zijn oogen, hoo-nend klonk het „devies" van de club-in-wording in hem na „geen proleten, geen vrouwen, geen Joden,” Van de anderen schenen enkelen toch wel onaangenaam getroffen, verstolen keken er twee elkaar aan, als hadden ze dezelfde gedachte —, een ervan vermande zich en zei:
„Ik geloof toch, dat je je vergist, Van Herwerden, Adolf de Jong is indertijd lid geweest —, en die was óók een Jood,”
„Ik geloof dat jij je vergist, Schoenmaker”, zei de ander hoog, fel, omdat hij werd tegengesproken, „Adolf de Jong was van Joodsche afkomst —, maar zijn vader was gedoopt, en hij natuurlijk ook,”
Schoenmaker kroop in zijn schulp, maar Ben viel nu uit, het bloed stroomde hem heet door het lijf, „Dus omdat hij gedoopt was, dus omdat zijn vader een verrader was, dus omdat zijn vader deed wat we alle dagen leeren verachten en wat jullie allemaal beweert te verachten, zijn ziel verkoopen voor eer en