87
Hij stond al tegenover hem en Ben verfoeide zichzelf, omdat hij hem zoo bewonderen moest, dien slanken, bijna volwassen jongen, gekleed als een heer, met het zachte blonde haar, den trotschen mond, het fiere hoofd, de hardglanzende oogen —maar hij haatte hem tegelijkertijd, want hij voelde dat die jongen zijn tegenstander was en hem bespotte en verachtte.
Ze stonden tegenover elkaar en de anderen om hen heen, in afwachting, een paar met een hooghartig, kalm lachje, als wisten ze precies wat er gebeuren moest, een enkele met weifelenden blik van den een naar den ander kijkend, de meesten alleen nieuwsgierig,
„Onze letterkundige club”, zei Van Herwerden, de oogen over Ben heen in een koelen effen toon, als sprak hij reeds officieel en plichtmatig, als president tot een onaanzienlijk, ongeacht lid, „onze club is eigenlijk maar een voortzetting van een vroegere club aan deze school, met hetzelfde doel, een club waarvan mijn oudste broer indertijd president was en die een paar jaar later, toen hij al student was, is verloopen, Die club had zijn bijeenkomsten op Vrijdagavond — wat wij ook van plan zijn te doen — en daarin was dus al een aanwijzing voor de Joden-jongens, er waren er toen twee of drie, dat ze niet konden meedoen, Joden hooren Vrijdagsavonds in de synagoge —, en voor zoover mijn broer wist, was er in dien tijd geen een, die de wenk niet duidelijk genoeg vond. Was dat niet zoo geweest, dan zouden ze toch zijn gedebal-