86
„En jij —, doe jij niet mee, mag jij er niet bij?” „Ik? Ik wil niet eens —, ik ben zoo letterkundig niet. Maar als ik wou —, waarom niet?”
Ben voelde, dat hij met zijn onhandig vragen den ander gekrenkt had.
„Zou ik er bij kunnen komen?” stamelde hij nog onhandiger, bloedrood,
„Dat moet je hun vragen, hoor!”
„Ik kan toch niet gaan vragen....” aarzelde hij. „Waarom niet? Dat doet iedereen, Wou je soms wachten tot ze je komen halen? Dat kon dan wel eens laat worden!”
Hij wendde zich ineens af, en liep haastig een meisje tegemoet, dat de poort inkwam, Ben stond weer alleen, hulpeloos, met zijn houding verlegen —, hij wist niet hoe en tot wie hij zich richten moest, doch hij begreep dat de ander gelijk had, ze zouden tot hem stellig niet komen, en hij wilde toch wel graag, * .
Daar gingen ze uit elkaar en zonder verder verwijl wendde nu Ben zich tot een van hen, dien hij wel eens hielp met zijn werk, rad stortte hij de woorden uit:
„Wat is dat, zeg, met die letterkundige club van jullie? Kan ik daar ook bij?”
„Hoe weet jij dat nou alweer?” vroeg de ander, in zijn schrik zijn ergernis blootgevend, zoo onbeheerscht, dat Ben zich bleek voelde worden —, „of je er bij kunt, moet je mij niet vragen, daar staat Van Her» werden, die is de president/’