82
„Als ik het nu maar werkelijk krijg. Na heü vooruitzicht zou het zoo'n echte teleurstelling zijn/'
„Thuis al over gesproken?”
„Zoo in het vage weg. Ze zouden het zoo heerlijk vinden —f 't is nogal noodig, ik kost nu toch geld —, nu de dokter heeft gezegd dat ik zwemmen moet en eieren eten. Waarom doet Berthold het niet, die in de zesde klas zit, zijn eigen broertje helpen bij zijn werk?”
„Omdat hij zelf nauwelijks aan zijn werk te houden is. Ja, de baron heeft mij menigmaal zijn nood geklaagd —, met al zijn houding heeft hij niet dat over zijn eigen kinderen te zeggen, Juist Berthold schijnt zich al geheel en al onafhankelijk en volwassen te voelen.”
Weer voelde Ben die heimelijke voldoening, omdat de rijke baron over zijn zonen was komen klagen bij den eenvoudigen meester —, hij gunde hem geen kwaad, doch het feit, dat die trotsche, voorname man zijn zorgen en klachten had, scheen hem tot zijns gelijke te maken. En hij dacht aan wat meester Becker zooeven had gezegd: „gelukkig dat je boven den dwazen eerbied voor rang en geld verheven bent —, ik had niet anders van je verwacht" —, hoe goed had hij weten te verbergen dat hij er niet heelemaal boven verheven was, hoe zorgvuldig dat beschamende in zich zelf verstopt. Het was een troost —, maar plotseling, hij wist zelf niet hoe hij op den zonderlingen inval kwam —, vroeg hij zich af: is de meester