81
zoo van zelf sprak, omdat hij oud genoeg en redelijk genoeg was, het te begrijpen ook zonder sensatie-berichten of dorpsschandalen, ergerde hij zich aan zijn eigen zwakke onnoozelheid, die toch telkens die kinderachtige bewijzen weer noodig scheen te hebben, Het was trouwens maar bij oogenblikken, dat die zonderlinge gevoelens toegang hadden tot zijn geest, meestentijds hielden ze hem niet bezig, voelde hij zich gelukkig met zijn werk en zijn boeken, zijn groeiende vriendschap met den ouden meester en het leven in zijn gezin, dat wel valer en kleurloozer leek geworden de laatste jaren, maar dat nu ook zooveel minder aanstoot naar buiten gaf.
„En nu moet je er, morgen tusschen drie en vier uur heengaan, en je niet laten afschrikken als de baron wat kortaf is en niet verlegen zijn — je bent gelukkig boven den dwazen eerbied om titels en rijkdom verheven —, ik had trouwens niet anders van je verwacht, je zult dus wel behoorlijk je woordje doen, *t Is nogal een aardig bedrag, wat hij betalen wil, vind je niet?"
„Schitterend", zei Ben, innig-dankbaar. Dertig gulden per maand voor toezicht op het huiswerk van den jongsten zoon, die in de eerste klas zat en niet opschoot en niet werkte,
6