80
neerkijkend op het straatvolk, dat eerbiedig groette —, en hij wist niet, wat dan sterker in hem was, zijn eigen verholen ontzag, dat hij zorgvuldig achter koppige stugheid verborg voor die dames en heeren —, of zijn haat tegen het volk om den laffen eerbied, waarin hij, evenals vroeger in tante Rebecca’s gretig vragen, tot zijn beschaming den groven spotvorm van eigen gevoelens moest zien.
Dat een glanzende auto voor een tuinhek hem een schokje van ontzag door de leden joeg, omdat hij altijd weer, tegen beter weten in, de personen der bezitters vereenzelvigde met hun bezit, hun prachtige paarden en rijke tuinen, alsof ze iets daarvan zelf hadden geschapen, dat hij tegen de rijke jongens opzag als tegen fijnere wezens uit een hoogere wereld — schoon hij ze somtijds wist dom en grof en laf — hij kon het niet verhelpen en het maakte hem ellendig. Als hij in boeken of dagbladen las von misdaden en wangedrag der rijken, ook wel dorpsschandalen hoorde, dezen en genen grooten heer zag aangewezen als bankroetier of „verleider” — schoon hij maar nauwelijks den zin daarvan begreep —, voelde hij zich tegelijk ontsteld en voldaan. Hij bemerkte dan dat hij, zonderling genoeg, de rijken en voornamen door de heerlijkheid van hun geldbezit voor zwakheid en misdrijf veilig had gewaand —, en tegelijk blij was, dat dit onjuist bleek, dat ze maar „gewone menschen” waren, niet beter of sterker of hooger dan de menschen van zijn eigen stand. En juist omdat dit