76
staan, elkeen had wat bij te dragen gehad, een liedje of een voordracht, hij alleen niet en ’t was een teleurstelling voor tante Rebecca, zag hij en hij kon ook niet lachen —, voelde niets dan schuwheid, tegenzin met toch ook een vage bewondernig voor de welbespraaktheid en den durf van de anderen —, zoodat die anderen hem een „ongijn" vonden, slechts in *t midden latend of hij een „gammer” was dan wel een „ver-schwartste nar".
Na tante Rebecca’s vertrek was het wel veel stiller in huis — schoon het kijven werd voortgezet door Bekkie, die naar vaders zin te veel opstond tegen haar moeder — maar schaler en zuiniger ook, en Bennie, die soms heimelijk en vol schaamte naar haar vertrek had verlangd, omdat ze zoo opviel langs de straat en zoo keef tegen de jongens, die haar „Jodin" nariepen, voelde daarover nu bij wijlen een sentimenteel naberouw. Een enkele maal, maar niet vaak — ze deed nu zaken in Amsterdam — kwam tante nog over op marktdag, een mand vol lekkers — scharren en lever en „krijn", soms scholletjes om te bakken — uit den Amsterdamschen Jodenhoek, aan den arm, en Ben wist niet precies meer wat hij gevoelde, wanneer hij uit school kwam en de welbekende stem hoorde, de tafel vol zag, de luchtj es der meegebrachte eetwaren rook, en tante hem om den hals viel.
Maar na eenigen tijd hielden die bezoeken op en ook Levie kwam niet meer — met tegenzin, maar noodgedwongen had Ben het onaanzienlijk mannetje,