75
zijn goeie hart en al gauw was de bruiloft gevierd. Een verluchting voor Bennie, die de vrijage niet aanzien kon, sidderingen kreeg van onverklaarbaren tegenzin, die hem de kaken opeen deed klemmen en vluchten in de vrije lucht, wanneer hij het smakkend kussen achter de gangdeur hoorde of tante Rebecca's verliefde lonken naar den „goosen" opving. Hij moest naar Amsterdam te bruiloft, een grootscheepsch feest in een „lokaal", waar tante Rebecca's schamele spaar-duiten, en zeker een volle maand verdiensten van den goosen — gramstorig had vader het zoo geschat en berekend — in bergen „zoetgoed" en een dinee, dat een reeks van zware vette vleeschschotels was, te midden van veel rumoer, satinet-geruisch en git-ge-krinkel, verdwenen waren. Tante Rebecca, stralend naast haar goosen, had geen oogenblik spijt van de dure centen, waar haar eigen volk nog zoo weinig van genoot, haar hartelijkheid, haar gulle vreugde verzachtten in Bennie den vreemden afkeer dien hij voelde als hij haar met haar vrijer samen zag, dezen bruiloftsdag sterker dan ooit. Hij was blij toen het avond was en ze weer naar huis terugkeerden; bot en onbeholpen had hij zich gevoeld tusschen de nichten in gitten en satinet, opgesmukt met goedkoope linten en valsch goud, tusschen de neven en zwagers met rosse of zwarte snorren, die aanhoudend operette-deunen floten en gewichtig praatten over bioscoop-drama’s, over „Flora" en „de Pan" en die allemaal in het een of ander reisden. Hij had met zijn mond vol tanden ge