73
strak was —, verwezen en diep-vernederd schoor-voette hij naar zijn oom terug.
Tante Rebecca was getrouwd en had het gezin verlaten. Haar „goosen" had ze leeren kennen op dé markt, waar hij elke week naast haar stond met „ongeregeld” ondergoed, sokken en kousen —, ook veeren en bloemen en lint voor hoeden, en van allemaal de meeste en de beste klanten trok. Vaak genoeg had tante Rebecca er 's avonds, spraakzaam na een goeden marktdag, de beenen wijd-uit, voeten op stoof, de haren los, in jak en baaien onderrok, wonderen van verteld, waar moeder naar luisterde met ongeloovig gezicht, vader met blikken en gebaren van alles-ervan-weten, — hoe mevrouwen uit de villa’s, van wie niemand het verwachten zou, daar bloemen en pluimen kochten, hoe ze menigmaal in een rijtuig op een fijne hoed een tak rozen van Levie’s stalletje had herkend! Langzamerhand had tante Rebecca al minder over Levie’s ongeregelde broeken en sokken, zijn wonderbaarlijke klanten, en zijn gezegende broodwinning gesproken —, doch meer en meer over Levie zelf, die in Amsterdam woonde, en wiens moeder een volle achternicht was van Aardewerk, den koosjeren bakker, hun overbuur. Nog later viel het telkens zoo,, dat tante Rebecca bij dien overbuur, waar Levie at na afloop van de markt, juist dan noodzakelijk moest