72
stekende romantische verwachting, dat Bob het juist mooi zou vinden, zooals de omstanders in het verhaal, als hij zijn oom niet verloochende —, dit alles te zamen hield hem terug. Duizelig en als verstijfd naderde hij de zuurkar, hoorde niet meer wat Bob naast hem zei —, daar keerde oom Jozef zich juist om — geen ontkomen was meer mogelijk, in het diepst van zijn hart, voelde hij nu, had hij daarop nog gehoopt — hij had de vork neergelegd, veegde zich met den rug van de hand over den mond en daarna de vingers aan de broekspijpen af. In een enkelen oogopslag zag Bennie de rafels aan zijn mouwen, zijn versleten boezeroen onder het open vest, zijn afgetrapte schoenen, maar ook zijn vriendelijk en mager gezicht en de oogen, die nog geen teeken van herkenning gaven, schuw en weifelend schenen te vragen of het wel mocht. Toen wonnen trots en medelijden het van al 't andere, maar zijn stem klonk heesch en bevend, terwijl hij zei:
„Dag, oom Jozef/*
„Dag Bennie, dag jongeheer”, verlegen grinnekend met zenuwachtige bewegingen lei hij den draagstok recht over den schouder, hield zich nog op een afstand —, Bennie keek naast zich —, maar Bob was
al weg. Vertwijfeld, half-bewust liep hij hem een
paar stappen na,
„En je thema?” riep hij.
Bob keek even om, antwoordde niet en liep snel
door —, Bennie zag dat zijn gezicht vuurrood en