258
dig van —, jij bent te goed voor haar, te groot, te knap, ze is een trotsch nest, ze wou alleen maar over je heerschen, en omdat jij je niet beheerschen liet, daarom. ... daarom.... daarom.... Het is immers uit, nietwaar?"
Met haar betraande oogen keek ze hem in spanning aan, Ben knikte: „Het is uit, ja."
Ze klapte in de handen. „Heerlijk! O, Ben, lieve Ben, wees niet boos, vind me niet hard en slecht —, dat ik „heerlijk” zeg, ik kan er niets aan doen —, ik heb haar nooit vertrouwd. Toe, stort nu je hart maar eens uit —, arme jongen —, toe, huil eens goed uit, het zal je opluchten. Toe wees sterk —, lieve, lieve jongen,”
Hij schudde het hoofd, waardig, somber. „Sterk zal ik zijn, maar mijn verdriet kan niemand wegnemen, niemand, Elsje, zelfs jij niet —, en toch —, toch ben jij wel erg lief —, en ook erg lief voor mij. En tegen jou wil ik alles wel zeggen, jou kan ik vertrouwen — kom dan hier bij mij zitten —, dan zal ik je alles, alles vertellen.”
Weer barstte ze in schreien uit en hij schreide mee —, en toen zuchtte hij diep en begon haar te vertellen lang achtereen, van zichzelf, van zijn jeugd, zijn schooljaren — alles wat daar treurig en belangwekkend aan was, van Enny, hoe rijk en voornaam ze leefde en hoeveel ze van hem had gehouden en wat hij voor haar had gedaan — omdat hij in haar geloofde, en hoe wreedaardig ze hem nu verstooten had.