259
„Je ziet wel", besloot hij, ineens weer terugvallend in zijn somberen en fieren toon — „je ziet wel, kind, dat het geen gewoon lief desgeschiedenis je is —, maar een echt, groot leed —, een ongeneeslijk leed, En zóó als ik haar heb liefgehad —, dat komt ook maar éénmaal —, éénmaal in elk menschenleven 11
„Ja zeker, lieve jongen, ja zeker", zei Elsje, maar er was nu een lachje om haar lippen —, haar oogen staarden droomerig als in verten, Want Ben lag, uitgeschreid, met het hoofd tegen haar schouder, en hij had, al vertellend, het bordje soep dat ze toch maar voor hem had neergezet, lepel voor lepel als ongemerkt opgegeten,