257
bakken”, bekende Elsje aarzelend, als was het een vergrijp. Een servet was over de eene helft van het tafelkleed gespreid —, op de andere helft lagen Elsje's boeken en schriften, atlas, liniaal —, een dierkunde-boek lag opengeslagen bij de „doorsnede van het menschelijk lichaam/'
„Wat doe je, waar ben je aan bezig?” vroeg Ben haastig —, ze had het pannetje al opgenomen om het weg te brengen. Ze zette nu het pannetje weer neer.
„Aan het menschelijk lichaam”, zuchtte ze, „zoo griezelig en zoo moeilijk. Ik kom er nooit, nooit, nooit. En ik mag niet zakken. Ik kan niet nog een jaar leeren. Het valt vader en moeder zwaar genoeg, al dat geld. Maar het is allemaal niets —, en ik wil er niet eens over praten —, het komt er niemendal op aan —, als jij maar niet zoo'n verdriet had.”
„Aan mijn verdriet is niets te veranderen”, zei Ben somber, „dat moet ik mijn heele verdere leven met mij meedragen als een ongeneeslijke wond.”
Als antwoord barstte Elsje in krampachtig schreien uit.
„Arme lieve jongen, arme lieve jongen —, het is zoo ellendig, zoo afschuwelijk. Ze is je niet waard —, dat kind, dat nest, met al haar mooie kleeren, met al haar rijkdom ben jij immers veel meer dan zij. Jij, zoo knap en zoo trouw en zoo lief. Ze heeft je ongelukkig gemaakt — en mij erbij —, ik kon het ook niet zien, als je zoo wit was en zoo rondliep en zoo zuchtte en als ze dan niet schreef —, ik werd er ellen-
17