256
lachelijk, beschaamd, alsof Carel er was en met zijn hooghartig-smadelijk lachje naar hem keek. Hij hield den knop van de keukendeur al in de hand —, daar hoorde hij gerucht —; uitgeput en nerveus als hij was, schrok hij zoo fel, dat zijn hoofd ineens razende pijn deed —, en hij tegen den muur van het gangetje moest leunen om te bedaren, De deur van de voorkamer was opengegaan, licht stroomde eruit —, Elsje, bleek en blond in haar eenvoudig blauw japonnetje, kwam voorzichtig-spiedend het gangetje in, nu ze hem ontwaarde, slaakte ze een zacht kreetje van blijden schrik,
„Ben je daar —, ben je daar! Goddank — goddank — ik werd zoo bang, En wat zul je een honger hebben, lieve jongen! Ging je naar de keuken, om te zien of er wat was? Ik heb alles voor je hier binnen, en de tafel gedekt en de kachel aan, Ik ben thuisgebleven, omdat ik niet wilde, dat je alleen zou zijn, omdat je me noodig kon hebben, Kom nu maar gauw wat eten,"
„Ik heb geen honger”, zei Ben trotsch en somber, „hoe kun je denken, dat ik nu honger heb?”
„Neen, natuurlijk niet”, zei Elsje, bedremmeld en beschaamd, „natuurlijk niet! Wees maar niet boos —, ik zal gauw alles wegnemen, misschien kan je niet eens tegen de lucht,”
Ze waren binnengekomen, de lamp brandde helder, een pannetje groentesoep stond op de kachel —, twee eieren lagen klaar, „Ik had ze voor je willen