253
oogen neer op den brief, alsof hij nog verder wilde lezen —, de ander griste hem het blaadje af, met den duidelijken lust hem te krenken en te kwellen: f,De rest gaat je niet aan/*
„Waar was ze dan —, wat is dat allemaal?” vroeg hij heesch, hulpeloos.
,,Thuis, idioot”, antwoordde de ander, schamper, maar zachter, omdat hij Ben als verschrompelen en wegtrekken zag voor zijn oogen van schrik en smart, ,,thuis, natuurlijk —, en ze deed alsof ze ginds op school was, omdat ze niet wilde dat je komen zou en omdat. ...”
,,Ja —, en omdat?”
„Och —, wat gaat het je aan —, wat doet het er toe —, maar als je ’t weten wilt: goed. Dus: en omdat er een vriend van mij, een schilder bij ons logeerde —, daar kreeg ze toen zoo wat les van, en toen is ze niet meer naar school teruggegaan. En ze gaat ook niet meer terug. Begrijp je?”
Het laatste klonk weer ironisch, schamper, vol giftige bedoeling. Ben zei niets, hij zat versuft en voelde zelfs geen pijn.
„Dus daarom kwamen de brieven zoo laat”, kreunde hij dof-verwezen, half in zichzelf, alsof dat het voornaamste was.
,,’t Is beroerd voor je”, zei de ander, opnieuw even verzacht —, maar onmiddellijk weer hard: „hoe kon je het in godsnaam in je hoofd halen, het is zoo door en door krankzinnig, dat ik eigenlijk, toen ik hier