252
digd, gepijnigd tot in zijn diepste hart door de gruw» zame woorden.
Hij lachte grimmig, hij was grauwwit, zijn bevende hand frommelde weer in zijn binnenzak.
,,Zóó houdt ze van je!”
Ben zag op tafel een brief, van een meisjeshand, doch niet de hare, midden op het dichtbeschreven blad een dikke roode streep, blijkbaar in toorn getrokken —, hij strekte de hand uit, maar trok die weer terug, bang voor wat hij mogelijk te zien zou krijgen.
,,Lees maar gerust”, hoonde de ander, wat gekalmeerd, nu de uitbarsting voorbij was, hij wischte zich het voorhoofd af en pufte. „Kan er niet wat open? Er hangt hier een vervloekte armeluislucht.”
Benepen-gehoorzaam ging Ben naar het venster en schoof het omhoog —, op het oogenblik-zelf dat hij het deed, zich fel verwenschend, maar er was niets meer aan te doen, en hij moest van den ander het lachje lijden, dat zoo wanhopig duidelijk te kennen gaf wat hij dacht.
Toen nam hij den brief en las. „Hij begint het je nu blijkbaar een beetje lastig te maken ,dat Joodje van je —, ik heb tenminste om den anderen dag briefjes op te zenden, van jou naar hem, van hem naar jou, en ik ben benieuwd, wanneer hij er achter komt ,waar je eigenlijk zit. Ik zou me maar eens ziek melden voor een poos, zoo bij wijze van voorbereiding, want je hebt er toch eigenlijk wel al een beetje genoeg van, is het niet?” Hij zat geslagen, verbijsterd, de