251
„Hoe komt u aan dien brief?’*
„Van mijn zuster —van wie anders!”
„Gestolen!” gilde Ben.
De ander werd bleek en rees op. „Luister eens even, jij aap van een Jood —, ik ben hier niet gekomen om mijn handen aan je vuil te maken —■, maar een trap kan je nog altijd aan me verdienen —, hou je dat
voor gezegd. Ik dacht eigenlijk, dat je een schurk was,
een soort van oplichter of nog erger —, maar ik hoef nu maar naar je te kijken, om te weten, dat je een gek bent, een verwaande, aanmatigende gek. Jij aarts-idioot, wat heb jij je eigenlijk in je zotten kop gehaald? Met mijn zuster, met Enny — jij —, een
Jood, die achter de boekenstal hoort, die gek is geworden van een beetje geleerdheid en omdat er iemand notitie van hem nam —, omdat mijn moeder zoo goed was, je uit medelijden in huis te halen, speel jij nou de verleider —, jij met je fluweelen jasje — de risee van de knechts en de meiden in de keuken —, met je po-ë-zy, godbetert van een dubbeltje-de-vier, neem-maar-weg-zes, jij wou met mijn zuster, jij durfde.... Als ik denk, aan wat mogelijk was, als ik denk aan wat had kunnen gebeuren — laat ik er maar liever niet aan denken —, ik walg ervan, ik walg van de enkele gedachte aan intimiteit tusschen mijn zuster en één van jouw miserabel godsvolk, ik walg van je brieven, van je versjes, van je fluweelen jas, van je gluiperige manieren, van je..,
„Enny houdt van me”, gilde Ben opnieuw, fel-belee-