250
bang was, dat hij niet duldde, dat hij wel eens weten wou.. . . maar die blik en dat lachje sloegen hem het wapen uit de hand, roofden hem waardigheid en moed. Een stumper voelde hij zich, in dit armelijk-mooie kamertje, in dit huis, in deze omgeving tegenover den voornamen heer, met zijn bontjas en handschoenen, zijn koud, streng gezicht, waarin de oogen fonkelden van woede en verachting —, hij was ineens weer het arme Joodje, duizelend van ontzag voor stand en rijkdom, gedwongen te bewonderen en te benijden, wat hem verdrukte en wat hij haten moest, het koele, blonde, zelfbeheerschte, rustig-aanmatigende, dat hij had gehaat en bewonderd in Berthold van Herwerden —, dat hij nu weer haatte en bewonderde in den man tegenover hem.
Die was gaan zitten, greep in zijn binnenzak en gooide een brief op tafel met een gebaar en een blik van afschuw, als was het een vies, vreemdsoortig dier, Ben herkende den brief, dien hij Enny had geschreven, een straal van hoop doorschoot zijn ziel: Carel was hier dus niet door haar gezonden, hij had eenvoudig den brief gevonden en was haar voor geweest —, zoometeen kwam zij-zelf en dan was er de groote ontknooping, het geweldige conflict, dan zou hij haar moeten beschermen, verweren met zijn lichaam, haar veroveren op dien hooghartigen broer, op die heele verraderlijke, valsch-lieve bende, Hij zwelgde even in de gedachte —, en vond daardoor de kracht om fier en onverschrokken te vragen: