249
allemaal hem zouden beklagen, ook al bedwongen ze elk teeken, wanneer zij uitbleef —, kwelde hem ondraaglijk.
Plotseling werd er gebeld, kort, fel, gebiedend. Hij rees op en hield zich staande aan het tafelblad —, helle sterretjes verschoten voor zijn oogen, de kopjes op het blad trilden zacht mee met het trillen van zijn zwaar steunende hand. Ging nu niet iemand opendoen? Daar stond vader Bergsma op —, liep het gangetje in, trok de deur open —, een stem van beneden —, haar stem? —- zoo vreemd? zoo scherp. Een klopje op de deur, en zijn eigen heesch „ja” en Bergsma in de opening, het gezicht bezorgd, verbaasd, de stem traag, bevreemd: „er is een heer, die je te spreken vraagt.”
„Een heer —, een heer?” hij zonk verwezen in zijn stoel —, hij hoorde stappen, driftig, snel, de trap op, hij zag Bergsma, verschrokken, eerbiedig, zich terugtrekken van de deur, boven zijn gebogen schouders uit verscheen een hoofd en hij herkende! Zij niet —, Carel, de oudste broer, de gevreesde, de gehate oudste broer, Carel was binnengekomen en sloot de deur achter zich dicht, en liep naar hem toe, tot midden in het vertrek, woedend, wit, als wilde hij hem te lijf —, maar hield zich in en richtte zich op en keek de kamer rond, naar het behang, de portretjes, het theeblad, het vloerkleedje, zonder een woord, met een smadelijk lachje,
Ben was opgestaan, wilde zich een houding geven, wilde rekenschap vragen, wilde toonen, dat hij niet