242
directeur, heimelijk blij omdat de verbintenis verbroken was en hij rustig en veilig kon blijven in het werk hem onwaardig, in dit huis, bij deze menschen, die hem onwaardig waren. O, ze had gelijk —, hij was een ellendeling, bang voor avonturen, huiverig voor een nog ongewisser bestaan —, zij geloofde in hem, en hij geloofde niet eens in zichzelf! Maar van nu af aan zou alles anders worden, de gedachte aan haar geringschatting, aan een mogelijke verkoeling, aan een breuk —, het was onduldbaar, erger dan de dood,
En hij was naar den tooneeldirecteur gerend, bittere woorden op de lippen, maar hij was niet ontvangen —, en hij had zijn laatste verzen van zijn beschermer, den tijdschriftredacteur, teruggeëischt, en ze naar de redactie van het groote tijdschrift, dat Enny met name had genoemd, ter plaatsing gezonden —, het had een verkoeling gegeven —, maar wat deed het er toe? Dat hij nu dien steun weer kwijt was, moest hij dragen als een boete voor zijn aanmatiging ,zijn gemis aan hoogheid en koenen durf, zijn gebrek aan vertrouwen, zijn laffe, laakbare voorzichtigheid. Als een burgerjongen had hij zich gedragen —, hij, die een „verstooten ridder" had willen zijn. En opnieuw had hij haar, in een brief, waarin hij op 't nederigst schuld beleed, ongelijk erkende voor wat hij had misdaan en nog zou misdoen, de wedergave van haar genade en haar liefde gesmeekt, Nu ze weer thuis woonde, nu haar antwoorden op tijd hem bereikten, was het zonderlinge laatkomen