241
den kon hij ook, moest hij maar kunnen! Zijn dringend verzoek om opheldering omtrent de briefwisseling liet ze onbeantwoord, Ze was nuf meldde ze, weer bij haar ouders thuis, maar ze voelde zich heel nerveus, Ben moest vooral niet komen, ze hadden al vermoedens, een onhandigheid kon alles bederven —, in de Kerst-vacantie kwam er misschien wel eens gelegenheid, een uurtje met hem samen te zijn —, maar toezeggen kon ze nog niets, de dokter had gezegd, dat ze rusten en kalm leven moest. Dien brief was Elsje hem op een Zondagmorgen in het begin van November met een trillenden glimlach en een blosje, en oogen blinkend als van vochtigheid komen brengen, hij was er mee naar zijn kamertje gerend, als uitgehongerd had hij gelezen en daarna stil gezeten op den rand van zijn bed, uren lang, met brandende, starende oogen, terwijl in hem zijn hart gestadig killer en stijver scheen te worden. Een krankzinnige vrees had hem bevangen —, dat hij haar verliezen kon, dat hij haar had gekrenkt met zijn dringen, zijn aanmatiging, zijn heftig vragen om opheldering. Hoe had hij ooit kunnen vergeten, dat wat ze hem toestond, mocht het nog zoo weinig zijn, een genadige gave was, die hij dankbaar en nederig had te aanvaarden! Wie was hij, dat hij van haar opheldering had durven vragen, haar aan banden leggen, haar in plichten dwingen, haar, dit fiere, koninklijke kind? Wat had hem toch bezield? Ze was vertoornd, ze verachtte hem —, ze had gelijk. Hij was een lafaard geweest tegenover dien tooneel-
16