236
hef weken aaneen geweest, maar de laatste weken kwamen de briefjes geregeld drie, vier dagen later —, en droegen toch het kenmerk onmiddellijk na ontvangst van de zijne geschreven te zijn. Ook was hun toon eerder warmer dan koeler, vol vurige betuigingen en dichterlijke ontboezemingen, vol van hetgeen zij had gelezen, had gezien, had gedaan, ongeduldig vragend ook naar den voortgang van zijn toekomstplannen, Dat ze geen belangstelling had voor de bezwaren en klachten van zijn naargeestig en onwaardig klerkenbestaan, ’t welk hij zelf toch ook alleen maar als de voorhof tot een beter leven beschouwde —, het scheen hem zoo volkomen redelijk, Haar gedachten toefden elders, zweefden hooger, telkens als hij uit zijn zwak en overvol hart, uit zijn zwarte zwaarmoedigheid naar haar uitgeklaagd had, voelde hij zich schuldig en snood, vreesde haar verwijt over zijn armhartigheid, dat hij bij voorbaat rechtmatig vond —, en was blij, als ze in haar antwoord niet of nauwelijks van zijn klachten repte.
Ditmaal echter was hij twijfelloos overtuigd, dat ze hem onmiddellijk antwoorden zou —, doch de dag kwam aan, en het uur verstreek en er verscheen geen brief. En hij zat alleen met zijn bange benarde twijfel, met het lot van zijn leven in eigen hand —, en zij Het hem alleen, terwijl hij het haar toch alles had overgedragen en toevertrouwd. Van den vroegen morgen af, dat de brief kon komen, had hij rondgedoold door het luns, uitgezien, opschrikkend eiken