233
het examen klaar te komen. Meer dan eens hielp Ben haar met haar rekensommetjes en haar taalwerk, en zij bracht hem ’s avonds als hij werkte, kopjes thee naar boven en stopte hem vaak wat toe, dat zij van haar eigen deel had bespaard. Met haar kon hij ook over Enny spreken —, en ze stond in volkomen bewondering voor het koninklijke figuurtje, dat zoo overmoedig en fier haar toelachte van het portret, voor de foto's van het huis, van Enny’s school in Engeland, haar rijpaard, haar roeiboot. Met dat schitterende wezentje was hij in stilte verloofd, dat weelde-kind wilde zijn schamel leven deelen —, ze zouden trouwen als hij twaalfhonderd gulden verdiende! En hij vertelde Elsje, hoe edelaardig zij was, walgend van rijkdom, hakend naar eenvoud —, Elsje stond sprakeloos. Zoo graag immers had zij-zelf rijk willen zijn —, maar ze dorst het hem niet bekennen.
Ja, het was wel heel prettig, dat hij Elsje had om over Enny te praten —, dacht Ben, voortloopend in den regen — ze was maar een eenvoudig kind, doch ze begreep alles, ze voelde en onderscheidde zuiver. Ze was ook vriendelijk —, een paar maal al was ze hem op kantoor een brief van Enny komen brengen op haar fiets —, dan had ze natuurlijk gezien, hoe rusteloos hij was geweest de laatste dagen —, als hij een brief wachtte, hoe bleek hij dan zag en dat hij niet eten kon.
Want ze was zijn leven, Enny, haar brieven bleven zijn cenig licht, de betuiging van haar trouw hield hém