232
jeugd —, een jongen, die hem aan zijn eigen jeugd herinnerde —, daar had hij eindelijk de hulp gevonden, waarnaar hij bijna hopeloos uitzaag. Hij scheen verrukt dat Ben bij hem was gekomen en hem tot zijn beschermer gekozen had, hield hem ten eten, las hem den heelen avond jeugdverzen en jeugdproza van zichzelf voor, die hij te voorschijn bracht uit een diepe la, en beloofde hem, dat hij den volgenden dag zijn neef, die een vrij groote uitgeverszaak had, over hem spreken zou, Den daaraanvolgenden dag was de zaak al beklonken; Ben kon er tijdelijk op kantoor komen en in het najaar naar een emplooi bij het tooneel uitzien. Nu was hij er bovenop, hij zou per maand vijftig gulden verdienen —, dat was al de helft van wat Enny had gezegd, dat voor beiden genoeg zou zijn, De „liefde-klaagzangen", aan haar opgedragen, vielen bij zijn nieuwen beschermer bijzonder in den smaak, hij werd na dien eersten keer, nog herhaaldelijk ten eten genoodigd en kreeg dan na tafel het onuitgegeven jeugdproza en de jeugdpoëzie, waarvan zijn gastheer blijkbaar een onuitputtelijken voorraad bezat, te genieten,
Voor weinig geld woonde hij nu in bij den eersten corrector van de uitgeverszaak, een opgeklommen letterzetter, bescheiden en gemoedelijk, waar hij aan tafel mee-at met de vrouw en den zoon en de dochter, die voor onderwijzeres leerde en in ’t voorjaar examen zou moeten doen, Ze heette Elsje en was een lief, stil, blond kind, dat al haar krachten noodig had om voor