231
vrienden in de stad, hij wist adressen van tooneel-directeuren, op Enny’s aanraden had hij een menigte moderne verzen en heele bedrijven uit klassieke treurspelen van buiten geleerd, voor de proefvoordrach-ten, die hij zou moeten geven, zoo was hij weggegaan, De eerste dagen niets dan verlatenheid en teleurstelling, De vrienden van meester Becker welwillend en vol goede beloften, maar niet in staat tot dadelijke hulp —, de tooneeldirecteuren met vacantie, niet te spreken, de enkele tot wien hij doordrong, hem kortaangebonden zeggend, in de herfst maar eens weer te komen —, en hij-zelf al een goed deel van zijn geld en zijn zelfvertrouwen kwijt. Toen had hij, bijna ten einde raad, voor geen enkel ding zoo beducht dan om als overwonneling terug te moeten keeren, naar de redacteur van het tijdschrift, waarin zijn „Avondzangen* waren opgenomen, een briefje geschreven, of hij hem ontvangen wilde —, daarbij op niets vasters bouwend dan op een vluchtige uitlating in een weken geleden ontvangen brief: „kom bij gelegenheid eens praten', Het viel hem dus zwaar genoeg, maar alles moest, om harentwil, beproefd. En daar, bij dien hupschen, blijkbaar welgestelden ouden heer, die hem in één oogenblik door vleierij het geheim had ontlokt, dat niemand wist en ,,bravo” klapte op zijn besluiten en avonturen, voortdurend betuigend hoeveel genoegen het hem deed, eindelijk weer eens een romantisch jongeling te ontdekken temidden van de degelijke, nuchtere, practische, sportlievende hedendaagsche