229
vader niet meer geantwoord, maar met het veronge-lijkt-gelaten gezicht, dat ze allemaal kenden, de samengeklemde, vooruitgestoken lippen, den afgewenden blik, was hij zwijgend voor zich uit blijven kijken —, en met een handwenk had hij de anderen eveneens het zwijgen opgelegd.
Ben wist wel wat dat beteekende: hij bestond nu niet meer —, ze zouden hem links laten liggen —, hij zette er zich met een hoonlach en een schouderophalen tegen in, maar het krampen in zijn keel, het dauwen voor zijn oogen kon hij niet weerhouden —, en het verheugde hem eigenlijk, als hij in een brutalen blik van Saartje, een vinnig woord van Bekkie reden tot woede kon vinden.
Daarna het laatst bezoek —, aan den rector van zijn school —, veel hoofdschudden en bejammeren van zijn mooie toekomst, bescheiden vorschen of er misschien ergens iets haperde, dat te verhelpen was —, en van zijn kant een bot, verlegen zwijgen, waarachter hij zijn ontroering verborg en iets van angst, die één oogenblik aanzwol tot de nijpende, afgrijselijke zekerheid, dat hij handelde als een krankzinnige, dat hij het beste van zijn leven brak in ijlhoofdigheid -—, toen de deur van de school voor ’t laatst achter hem dichtviel. Zóózeer greep die wreede helderheid hem aan, dat hij ademloos stilstond, wild verlangend, terug naar binnen te gaan, te zeggen, dat hij ziek was, dat hij blijven wilde. Maar thuis lag weer een briefje van Enny, ze ontbood hem voor dien avond bij zich