228
zijn hart, kon hij niet, wilde hij niet, nu het er op aan kwam, verloochenen —, maar het kon Ben niet ontgaan, hoe zwaar het hem viel, en voor 't eerst dien keer gevoelde hij ten volle, hoezeer de oude man het hart op hem en zijn toekomst had gezet. Bedrukt was hij weggegaan, de tweehonderd gulden wogen hem zwaar, hij voelde zich schuldig, omdat hij immers, zwijgend over Enny, dien besten vriend zijn vertrouwen had onthouden, omdat hij sprekend van „roeping”, waar enkel trots was en wild verlangen, hem had misleid —, het was geweest als voelde hij ook nu pas geheel en al den omvang en het verstrekkende, onherroepelijke van zijn daad —, maar thuis, even later, in het felle verweer op den feilen aanval, daar had hij weer zichzelf teruggevonden, zichzelf in het gelijk gesteld, zich verwonderd hoe hij het tot nu toe had kunnen harden, terwijl dikke Sam en Bekkie en Saartje door elkaar schreeuwden, boven vader en moeder uit, dat hij zijn familie „den kroon van het hoofd nam” —, en vader hem, hard, zijn „eigenmachtig” handelen verweet, alsof hij hem had gemaakt tot wat hij was, alsof hij eenige zorg en verantwoordelijkheid voor zijn toekomst kon op zich nemen! Met vlammend gezicht had hij het uitgeschreeuwd: wat verbeeldden ze zich wel, allemaal, dat hij hun eigendom, hun pronkding was? Als vader niet verkoos, dat hij wegtrok, dan moest hij maar de politie halen, om hem vast te houden* om hem terug te brengen als hij losbrak —, hij was immers nog minderjarig. Toen had