227
ling gewaar werd van zijn eigen armhartigheid en benepenheid. Eenmaal alleen, armoe lijdend op een zolderkamer, konden afkomst, stand, omgeving niet meer voor hem gelden, zouden woorden zijn —; had hij maar niet langer om zich heen de voortdurende pijnlijke, voelbare aanraking met een nare werkelijkheid, dan kon hij zichzelven droomen te wezen wie en wat hij verkoos, een vondeling, een verarmd ridder, in elk geval iets buitenmaatschappelijks en belangwekkends, Het had hem, na die gloedvolle gedachten, die heete bevliegingen, onmogelijk geschenen, naar school terug te keeren en er te blijven —, hij had geen geduld meer, slechts rusteloosheid, hij wilde niet langer ergens komen, hij wilde ergens zijn,
Het tooneel! Aan het woord klampte hij zich vast —, meer dan dat hij de directe verwerkelijking hoopte —, omdat hij, met dat woord als leus, bij zijn ouden vriend den meester kon komen en hem geld vragen voor den allereersten tijd, Vroeger zou hem zulk vragen boven alles verwerpelijk geschenen hebben, thans zag hij geen ding, dat niet haar betrof, in een ander licht dan dat van al-of-niet noodzakelijkheid. Maar hij wist toch wel, dat het niet aanging den ouden man te zeggen: „ik wil op avontuur*, dat hij moest komen met iets als een ideaal, een „roeping" waartegen niet te kampen en te redeneeren viel, En de meester had dan ook niet gekampt, niet geredeneerd, wat hij zijn heele leven beleden had in woorden, het recht van eiken mensch om te leven naar