223
den greep, „dat zou ik misschien, binnen een paar jaar, kunnen verdienen. Dan zie ik van studie af —, maar dat geeft niet, dat komt er niets op aan. Twaalf honderd gulden” — hij noemde het bedrag, waarvan hij wist dat meester Becker leefde en rondkwam en gespaard had —, „zou je denken, dat je daarvan, met mij, zoudt kunnen leven?”
„Maar natuurlijk”, zei ze zelfbewust, „van nog veel minder ook. Ik zeg je toch, ik snak er naar om in een klein huisje te leven, met een klein tuintje —, en eigen baas, en alles zelf doen, samen doen. En jij in je werkkamer —*, en ik in mijn kamer aan de piano of heel stil lezend in een hoekje — jouw verzen — als de muziek je hindert.”
„Een kamer voor jou en een voor mij, dat zal dan niet kunnen”, zei Ben, bedachtzaam, bedrukt, „maar ik zal altijd het beste kunnen werken, als ik jou vlak bij mij heb/'
„Natuurlijk —, ik ben ook een kuiken, ik vergat weer heelemaal ons plan. En weet je, wat jij moest doen —, waar je geknipt voor bent — jij moest aan het tooneel gaan — je kunt prachtig verzenzeggen. Je moet hier niet in dit dorp — ik meen natuurlijk ginds, waar wij, wonen — blijven, en niet op die malle school. En ik word de vrouw van een beroemd tooneelspeler, En je schrijft drama’s in verzen — betere dan die van dien zotten Van Herwerden —•, en dan spelen ze die —, en jij de hoofdrol en misschien, o, misschien ga ik dan óók bij het tooneel, tegen den zin van mijn