222
„Ik walg van rijkdom”, zei ze in volle ernst, „werkelijk, ik heb er genoeg van, Al die leege drukte van een groot huis en dinee’s en partijen —, hè, ik zou toch zoo dolgraag arm willen zijn —, met z’n tweetjes arm, en dan altijd samen rekenen en tellen en overleggen om er te komen, jij met rimpels in je voorhoofd en ik op de leuning van je stoel, den arm om je hals, blazend achter den rook van je sigaret, Ken je het Engelsche prentje, waar dat opstaat? Dat vind ik zoo schattig en die twee jonge menschjes, die kan ik soms toch zoo benijden. Ja, arm zijn samen, samen overleggen en rekenen en tellen —, en er dan samen komen, dat lijkt me iets verrukkelijks,”
Hoe edel was zij —, hoe kinderlijk rein en eenvoudig in haar wenschen —, aanbiddelijk, hij wilde wel weer voor haar neerzinken en haar knieën omvatten, het geluk klemde aan zijn hart, dreef hem in zoeten zwijmel,
„Zoo'n klein, lief huisje, met een klein, lief tuintje”, zong het stemmetje weer dicht bij zijn oor, „en dan geen vervelende, eigenwijze tuinlui, die overal verstand van hebben en altijd doordrijven —■, maar alles prettig zelf doen, zooals je hart het ingeeft, niet zoo-als het in die zeurboeken staat —, planten en bloemen hebben óók een ziel —, je moet ze met je ziel kweeken en verzorgen, dat is de hoofdzaak,”
„Twaalfhonderd gulden per jaar”, zei Ben heesch, weifelend, zachte vlammen speelden boven zijn gesloten oogen, hij hield haar handjes in sterken, beven